De eeuw van Charlie Chaplin: door de ogen van de grote komiek.


In De eeuw van Charlie Chaplin laat schrijver en criticus Matthijs de Ridder het verhaal zien van een wervelend tijdperk, gezien door de ogen van filmicoon Charlie Chaplin. In 1914 verscheen de eerste film met Chaplin en binnen een jaar was hij wereldberoemd. Tegelijkertijd werd deze veelzijdige komiek meegesleurd in de maatschappelijke debatten van zijn tijd. Matthijs de Ridder deelt zijn boek op in hoofdstukken die vormgegeven zijn als onderdelen van een stille film. De titels van de hoofdstukken zien eruit als tussentitels, zoals we die kennen uit de Chaplin-films. Dit is een originele opmaak en het geeft het boek een authentieke sfeer. Strikt chronologisch vertelt De Ridder het verhaal van het leven en werk van Chaplin, vanaf het moment dat hij in 1910 in de VS aankwam met de boot vanuit Engeland tot zijn dood in 1977 in Zwitserland.

Voorprogramma: Amerika (1910-1914).

Charlie zette op 1910 voor het eerst voet op Amerikaanse bodem toen hij als onderdeel van het vaudevillegezelschap Karno’s Komedians (waar ook Stan Laurel deel van uitmaakte) aankwam in New York. Om als vaudevilleact op te vallen moest er aan marketing gedaan worden. Charlie en zijn tourmanager Alf Reeves bedachten een mediastrategie, waarbij ze Charlie neerzetten als excentrieke beroemdheid en waarbij ze hele verhaallijnen over zijn leven verzonnen. Een uitgebreide promotiecampagne volgde, waarin Charlie in krantenartikelen naar voren werd gebracht als een komisch genie en een enigma. Charlie ontwikkelde ondertussen het typetje ‘the tramp’: een zwerver die buiten de samenleving stond en zich weigerde aan te passen aan de heersende norm. Via deze zwerver uitte Chaplin kritiek op de Amerikaanse samenleving, met haar onverminderde geloof in de maakbaarheid van de wereld. Met zijn karakteristieke ‘bowler’ hoed en wandelstok vormt the tramp het beeld waarmee we Chaplin nu, honderd jaar later, nog steeds het meest vereenzelvigen.

Eerste akte: De Eerste Wereldoorlog (1914-1918).

Chaplin werd steeds populairder, ook onder de soldaten aan het front. Zijn films zorgden voor afleiding (ook voor de thuisblijvers) en de soldaten in de loopgraven zagen Chaplin als een strijdmakker. Maar terwijl de wereld steeds meer werd bevangen door de ‘Chaplinitis’, kwam er aan de andere kant ook kritiek op de acteur. Want waarom had deze gezonde Brit zich niet aangemeld als vrijwilliger om te vechten? De geruchten dat hij een ‘slacker’ (dienstweigeraar) zou zijn, werden steeds duidelijker hoorbaar. Charlie deed zijn uiterste best om aan te tonen dat zijn loyaliteit bij het vaderland lag en steunde de oorlogsmachine met financiële middelen. De stekelige opmerkingen en verdachtmakingen bleven echter gedurende de oorlog aanhouden.

Tweede akte: Meester van de massa (1919-1928).

Na de Eerste Wereldoorlog volgde een periode van revolutie in verschillende landen. Nieuwe stromingen doken op, zoals het dadaïsme en het kubisme. Verschillende van deze groeperingen wilden zich Chaplin toe-eigenen. Maar hoewel Charlie zich zeker links van het politieke midden bevond, zag hij zichzelf vooral als kunstenaar en niet als politicus. Hij kon dan ook niet worden beschouwd als een aanvoerder van een artistieke of intellectuele revolutie. In de tweede helft van de jaren twintig ging men Chaplin steeds meer zien als een buitengewoon kunstenaar, zelfs een soort moderne Shakespeare. Ondertussen ontdekte de acteur de keerzijde van de roem: zijn privéleven lag op straat na zijn scheiding van Mildred Harris en zijn verbroken verloving met Pola Negri.

Derde akte: De Grote Depressie (1928-1936).

Chaplin zag in dat de wereld afstevende op een economische crisis en verkocht in 1928 al zijn aandelen. Dit bleek een vooruitziende blik, want met de beurskrach van 1929 begon de Grote Depressie, die een schaduw over de jaren dertig zou werpen. Charlie was zeer maatschappijkritisch en dit kwam ook naar voren in zijn films. Zo werd in de film Modern Times de vergelijking gemaakt tussen arbeiders die gedwee naar de fabriek lopen en een kudde makke schapen die naar de slachtbank gebracht worden. In deze periode maakte Chaplin reizen door Europa en Azië, waar hij politieke kopstukken ontmoette en met hen van gedachten wisselde over politieke vraagstukken. Zijn oproep voor een drastische hervorming van het economische bestel werd hem niet altijd in dank afgenomen.

Vierde akte: De Tweede Wereldoorlog (1936-1945).

Met de opkomst van het fascisme in Duitsland, Italië en Spanje, werd Chaplin in zijn films meer politiek uitgesproken. Hij vond zijn perfecte tegenpool in Hitler, die net zo’n tandenborstelsnorretje had als zijn ‘tramp’. Charlie was van mening dat Nazi-Duitsland te veel met rust werd gelaten, hij stond niet achter de verzoeningspolitiek van Chamberlain. Zijn politieke opvattingen kwamen duidelijk naar voren in de film The Great Dictator, waarin hij een eenvoudige kapper speelde, die werd aangezien voor de fascistische leider, genaamd ‘Hynkel’. Het was voor iedereen meteen duidelijk wie als inspiratiebron had gediend voor dit personage. De relatie tussen Chaplin en de pers bekoelde ondertussen steeds meer, omdat Chaplin opriep om de communisten te accepteren als medemensen om gezamenlijk de Nazi’s te verslaan. Zijn uitspraken werden door sommigen opgevat als communistisch.

Vijfde akte: De vrees voor het communisme (1945-1952).

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werd het FBI-dossier over Charlies vermeende communistische opvattingen steeds dikker. De FBI, onder leiding van J. Edgar Hoover, verdacht Charlie van staatsgevaarlijke activiteiten en wachtte tot hij een keer tegen de lamp zou lopen. Het was waar dat de filmmaker sympathiseerde met de Sovjet-Unie en hij waardeerde het dat ze in de oorlog aan de ‘goede’ kant hadden meegevochten. Aan de andere kant ontkende hij bij alle gelegenheden dat hij een communist was. Hollywood werd sowieso gezien als een broeinest van communisme. Behalve Chaplin werden nog honderden andere filmmakers onderzocht en ondervraagd. Terwijl Charlie in de VS steeds meer kritiek kreeg en onder vuur kwam te liggen, werd hij bij een bezoek aan Europa onthaald als een held. Waar de naam Chaplin in de VS giftig was geworden, had deze in Europa nog niets van zijn magische glans verloren. Charlie besloot zich dan ook in Zwitserland te vestigen.

Laatste akte: De laatste jaren (1952-1977).

Chaplin bleef maatschappijkritische films maken. Hij was verbitterd over de manier waarop de Amerikanen hem hadden behandeld en dit kwam in een aantal van zijn latere films naar voren. Het tijdperk van het atoomoptimisme baarde de filmmaker zorgen. Veel meer dan hopen dat de gekte zou overwaaien kon hij echter niet. Zijn latere films kregen niet zulke goede kritieken meer. Ze werden gezien als achterhaald en ouderwets. De tijdgeest ontsnapte hem, Charlie snapte niets van nieuwe, jonge generatie die nu in opkomst was. In 1972 was er eerherstel voor Chaplin in de VS, toen hij een ster kreeg op de Hollywood Walk of Fame en een ere-Oscar voor de: “onmeetbare invloed die hij heeft gehad op de film, de kunstvorm van deze eeuw”. Dit deed hem enorm goed, meer hoefde hij niet te horen, zijn eeuw was rond.

Matthijs de Ridder heeft ter voorbereiding op dit boek honderden boeken en artikelen gelezen en komt goed beslagen ten ijs. Niet alleen omschrijft hij alle films van Chaplin tot in detail, ook geeft hij een gedetailleerd beeld van de geschiedenis van Europa en de VS van 1910 tot 1977. Zo krijg je als lezer een goed beeld van een tijdperk waarin grote veranderingen en heftige oorlogen plaatsvonden. Om deze reden is dit boek veel meer dan slechts een biografie over Charlie Chaplin: het is een tijdsdocument van de 20e eeuw geworden.

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.